Wat kunnen ouders doen?
Voorlezen aan kinderen vanaf de babyleeftijd draagt bij aan het voorkomen van laaggeletterdheid. Ouders die zelf laaggeletterd zijn, zijn onvoldoende in staat hun kinderen voor te lezen en missen het vertrouwen en de vaardigheid een verhaal aan de hand van de illustraties te vertellen.
Wat kunnen ouders doen die zelf niet (goed) kunnen lezen?
- Zij kunnen met hun kind een prentenboekje pakken en benoemen wat er op de plaatjes staat: mensen, dieren, planten, dingen, vormen, kleuren. Het is goed als zij aanwijzen wat zij benoemen.
- Zij kunnen een boekje uitkiezen dat zij met hun kind willen lezen. Zij bekijken eerst zelf de plaatjes en benoemen wat zij zien. Zij vertellen hardop aan zichzelf wat er gebeurt. Pas daarna vertellen zij dit aan hun kind, terwijl ze samen de plaatjes bekijken. Zij wijzen aan wat ze vertellen. Het is wel belangrijk dat zij goed onthouden wat zij hun kind vertellen, want jonge kinderen horen graag meerdere keren hetzelfde verhaal.
- Zij kunnen aan familie of vrienden vragen of zij kunnen helpen bij het voorlezen.
A
ctieve betrokkenheid van de ouders blijft belangrijk, maar de herhaling kan ook via andere media zoals televisie, video en cd-rom’s. Bij verschillende peuterboeken zijn video’s beschikbaar waarop het verhaal wordt voorgelezen en ondersteund met animaties gebaseerd op de prenten uit het boek. Organisaties als boekenpret en de voorleesvogel ontwikkelen materiaal om de taalontwikkeling van kinderen te stimuleren.
Eén op één contacten tussen ouder en kind zijn belangrijk voor de mondelinge taalontwikkeling en leggen een basis voor geletterdheid.
Aanbevelingen zijn:
- veel praten met baby’s en peuters;
- veel praten, zingen, spelen en vingerspelletjes doen;
- baby’s babyboeken geven;
- veel met peuters op schoot zitten lezen;
- de peuters veel papier en schrijf- en tekenmateriaal geven, zodat ze hiermee kunnen experimenteren;
- een taalrijke omgeving creëren;
- kwaliteitsboeken (voor)lezen;
- praten met de kinderen over wat is voorgelezen;
- ‘gewone’ taal gebruiken (geen rare zinnen formuleren);
- gebruik maken van verschillende (inter)acties, zodat het kind al vroeg te maken krijgt met de variatie in taalgebruik en de relatie tussen taalgebruik en situatie legt.