JGZ en de taalontwikkeling van het kind

Terug

Om kinderen zoveel mogelijk te laten profiteren van het voorlezen, zijn twee aspecten van belang:

  1. Herhaling
    Wanneer een verhaal een aantal keren voorgelezen wordt, blijven de nieuwe woorden en de verhaalstructuur hangen. Het kind wordt door de herhaling bevestigd in wat het inmiddels weet;
  2. Interactief voorlezen
    Door te praten over het verhaal en het verhaal te koppelen aan de eigen ervaring, worden de kinderen betrokken bij het verhaal en leren ze er het meest van. Ze leren relaties leggen tussen het verhaal en hun eigen wereld waardoor denkprocessen gestimuleerd worden. Belangrijk is dat de reacties van de ouder inhoudelijk aansluiten bij wat het kind zegt en dat de ouder het kind als volwaardig gesprekspartner ziet dat ook het gesprek kan sturen. De ouder probeert de intenties van de uitingen van het kind te achterhalen om adequaat te kunnen reageren. Als een kind onduidelijk praat, kunnen de prenten in het boek of voorwerpen waar het kind naar kijkt helpen om te begrijpen wat het bedoelt.
  3. Spreek de ouders aan
    Als u vermoedt dat de ouder misschien laaggeletterd is, kunt u daarop ingaan. Het beste is om er gewoon over te praten. De ervaring leert dat een gesprek daarover het meeste effect heeft, als het probleem zoveel mogelijk wordt genormaliseerd. Een respectvolle houding ten opzichte van de ouders is belangrijk.De aanleiding om hierover te beginnen, ligt meestal in de activiteiten die de ouders (moeten) doen met of voor hun kind. Als zij niet voorlezen kunt u hen vragen: Houdt u niet van voorlezen, vindt u het misschien moeilijk om voor te lezen? Heeft u dan misschien zelf moeite met lezen? Als ouders het Groeiboekje of vragenlijsten van het consultatiebureau niet, of niet volledig, invullen kunt u vragen: Heeft u moeite met de vragen? Houdt u niet van invullen, vindt u het moeilijk om zoiets in te vullen? Komt het misschien omdat u moeite heeft met schrijven?Als de ouder inderdaad zegt dat hij moeite heeft met lezen en/of schrijven, kunt u hieropdoorvragen: Wat vindt u ervan dat u moeite mee heeft met lezen en schrijven? Maakt u zich zorgen daarover? Wat denkt u dat u er aan kunt doen? Zou u beter willen lezen en schrijven? U kunt vertellen dat er 1,5 miljoen volwassenen zijn in Nederland die er moeite mee hebben, en dat er speciale cursussen zijn. U kunt afspreken dat u de ouder hier informatie over geeft. En u kunt vertellen dat er veel ouders zijn die beter willen lezen en schrijven en hiervoor naar een cursus gaan, omdat zij bang zijn dat hun kinderen ontdekken dat zij dit niet kunnen. U kunt aangeven dat deze cursussen vaak gegeven worden in kleine groepen en dat er veel persoonlijke aandacht is. De boodschap moet zijn dat ouders zelf moeten gaan leren lezen en schrijven om hun kinderen goede kansen te geven op school.

 Terug