Herkennen

Laaggeletterden mijden lees- en schrijfsituaties. Laaggeletterde ouders zullen hun kinderen dan ook nooit voorlezen. Zij lezen geen briefjes van school, geen rapporten en zullen nooit samen met hun kinderen woordjes schrijven.

Laaggeletterde ouders zeggen van zichzelf dat zij ‘slecht zijn in taal’. Als het gaat om de taalontwikkeling van hun kinderen, voelen zij zich vaak onzeker. Zij weten dat zij hun kinderen hierin niet goed kunnen begeleiden en stimuleren. Zij voelen dat zij hierin tekort schieten.

Laaggeletterde ouders zijn soms angstige ouders. Zij zijn bang dat hun kind hen vraagt om voor te lezen, bang dat hun kind vraagt waarom ze niet willen voorlezen, bang voor als de kinderen naar school gaan en daar zelf leren lezen en schrijven. Want een van de ergste dingen die laaggeletterde ouders kan overkomen is dat hun kinderen merken dat ze niet, of niet goed, kunnen lezen en schrijven. Vaak houden ze dit verborgen, ook voor hun kinderen. Als het dan uitkomt, hebben zij het gevoel ‘door de mand te vallen’. Het is daarom voor de jeugdgezondheidszorg van belang om: